Verslag stadslabo inclusieve stad

Op 8 februari waren we te gast op De Broederij in Gent voor het stadslabo inclusieve stad. Doel van het stadslabo was het scherpstellen van de stedelijke agenda op vlak van sociale mobiliteit. Ook vroegen we ons of hoe het Vlaams stedenbeleid daarin een hefboom kan zijn?

Scherpstellen stedelijke agenda ‘sociale mobiliteit’

Na de inleidende presentatie over het traject vernieuwde visie stedenbeleid presenteerde Stijn Oosterlynck (Universiteit Antwerpen) een aantal cijfers die de armoedeproblematiek in de steden blootlegt. Daaruit blijft duidelijk dat kansarmoede een rechtevenredige relatie heeft met de stedelijke hiërarchie. Hoe groter de stad, hoe sterker de kansarmoede.

De ‘sociale mix’-strategie om mensen uit armoede te halen, haalt onvoldoende resultaat volgens Stijn Oosterlynck. Het is beter om te werken aan een sociaal stijgingsbeleid door treden toe te voegen onderaan de maatschappelijke ladder. Hij besprak een viertal ‘treden’ in het organiseren van opwaartse sociale mobiliteit:

  • Onderwijs: Verhogen aanbod en meer personeel in kinderopvang, om op die manier het verschil in cultureel kapitaal tussen kinderen gelijk te trekken. Universele kinderopvang biedt mogelijkheden aan alle ouders om te werken. / Brede school, een netwerk tussen school en andere organisaties om maximaal kansen aan te bieden op school en in de vrije tijd te creëren. / Brugfiguren, kloof verkleinen tussen schoolinstanties en kansarme gezinnen.
  • Werk: Belang van kwalitatieve jobs voor laaggeschoolden, vb. recyclage, renovatie / Complementaire munten.
  • Vrije tijd: Laagdrempelige instapformules voor sport / Belang van wijkgerichte cultuur-voorzieningen.
  • Wonen: Community land trusts, woningprijzen drukken door het scheiden van grond- en huiseigendom en herinvesteren van de meerwaarde in betaalbaar wonen / Huisvestings-coöperaties, realiseren van recht op huisvesting koppelen aan empowerment als coöperant.

De zaal voegde het belang toe van toegankelijke zorg (vb. wijkgezondheids-centra, consumentenbeleid). Dat is wellicht minder een drijvende kracht bij sociale stijging, maar wel een ontegensprekelijke voorwaarde voor sociale stijging.

Aantal fundamentele vaststellingen

Tijdens de inhoudelijke groepsdiscussie over wat we willen neerzetten als beleid rond ‘sociale stijging’ werden een aantal fundamentele vaststellingen gemaakt:

  • We hebben geen extra diensten nodig om ‘sociale stijging’ te organiseren, beter is het bestaande aanbod te herdenken.
  • Veel van het beleid rond kansarmoede, sociale stijging, welzijnszorg, … krijgt geen structurele verankering en blijft hangen in projectmatig werken.
  • Er zijn een aantal grondrechten (vb. wonen) die verzekerd moeten worden en waar nu (te) weinig aandacht en/of middelen voor zijn.

Hoe kan sociale analyse het stedenbeleid vooruit helpen?

Daarna bespraken twee groepen een aantal voorgestelde stellingen. De eerste stelling had betrekking op de focus van stedenbeleid. In de cijfers zien we dat de armoedeproblematiek zich het scherpste stelt in de steden, in het bijzonder de grote steden. Vraag die daaruit voortkomt: moet het stedenbeleid dan vooral de grotere steden ondersteunen?

De tweede stelling handelde over het belang van sociale analyse. Binnen de instrumenten van het stedenbeleid is er nood aan meer aandacht voor de sociale dimensie (vb. stadsvernieuwing). Sociale analyse is nodig om het verschil te maken en laat toe om accenten te leggen op maat van de steden.

De overige stellingen bespraken stadsregionaal overleg, regie en herverdeling van kosten en baten. Een belangrijk punt in deze discussie was dat vertrekkend vanuit de sociale problematiek van de stad het moeilijk is om draagvlak te creëren bij de buurgemeenten voor een meer regionale benadering. Overigens zijn grote steden vaak niet geïnteresseerd om kleinere gemeenten mee te nemen en te ondersteunen. Ook al zijn er een aantal steden die de rand hierin sterk ondersteunen.

De presentatie en het uitgebreid verslag van dit stadslabo kan je hier downloaden.