Stadskamers engageren meer dan 70 deelnemers uit de Vlaamse steden (update 22/01)

In december organiseerde Idea Consult, samen met het Agentschap Binnenlands Bestuur, twee stadskamers op unieke locaties in Deinze en Mechelen. Zo’n 70 deelnemers dachten mee over de bouwstenen van een nieuwe visie voor het Vlaamse stedenbeleid.

Zowel in de kunstacademies van Deinze (KADE) als in het Mechelse Museum ‘Hof Van Busleyeden’, daagde telkens een mooie delegatie op van telkens 35 ambtenaren en politici uit de Vlaamse steden, naast vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid en het middenveld.

Samenvattend beeld van de stedelijke uitdagingen

Om meteen in het thema te duiken, werd aan alle deelnemers gevraagd om de drie belangrijkste stedelijke uitdagingen te noteren voor de komende tien jaar. Dat resulteerde in een samenvattende post it wall waar al duidelijk een aantal opgaven naar voor komen. De deelnemers benoemden onder andere mobiliteit, betaalbaar wonen, klimaat, armoede en stadsregionale samenwerking als belangrijke stedelijke uitdagingen.

Eerste ideeën aftoetsen

Tijdens de Stadskamers kon het IDEA-projectteam de voorlopige resultaten toetsen van de data- en literatuurstudie en aanvullen met inzichten en ervaringen van op het terrein.

Tijdens de ateliers stonden drie thema’s centraal: de stad als regionaal netwerk, de stad als gezond metabolisme én de stad als coalitie en lerend systeem.

De stad als regionaal netwerk

In de eerste workshop stond de vraag centraal hoe we stappen vooruit kunnen zetten in de samenwerking tussen de stad en haar omgeving én tussen steden onderling? Waar moet samenwerking op gericht zijn? Hoe kan het Vlaamse stedenbeleid dit aanmoedigen? En hoe moet het Vlaams stedenbeleid omgaan met de verscheidenheid aan steden?

In Vlaanderen kennen we een ‘gelaagd stedennetwerk’, maar niet alle steden (grootsteden, andere centrumsteden en kleinsteden) voelen zich in hun centrumrol erkend. In het bijzonder de kleinere steden vragen meer middelen om afdoende antwoorden te kunnen geven op gelijkaardige problematieken als in de grootsteden, weliswaar in een minder volume. Ook de leerervaringen uit de grotere steden zouden voor hen beter moeten doorsijpelen naar de kleinere steden.

Daarnaast wordt de vaststelling gemaakt dat steden steeds meer verweven zijn met de omliggende gemeenten, “de rand wordt meer en meer stad”. Terwijl we deze (stads)regionale patronen herkennen in de dagelijkse beweging van mensen (‘daily urban systems’, is de bestuurlijke organisatie daar niet op aangepast. Meer structurele bestuurlijke samenwerking dringt zich op, met een win voor de kernen, maar ook voor het ‘ommeland’. Ook de aanpak van de actuele maatschappelijke uitdagingen (mobiliteit, klimaat,…) vraagt zo’n meer gecoördineerde aanpak in regionale netwerken.

De stad als gezond metabolisme

In het tweede atelier vertrokken we vanuit het idee dat de stad vanuit een rationeel perspectief een van de betere ‘uitvindingen’ is geweest. Vanuit verschillende oogpunten brengt concentratie (in plaats van spreiding) meerwaarde. Denk aan de aanleg van fysieke netwerken (water, energie), het organiseren van emancipatorische processen, het tot stand komen van innovatie of het sparen van de open ruimte.

Tegelijk zien we dat deze theoretische logica op verschillende plaatsen onder druk staat: stedelingen die hun kinderen naar scholen sturen in de rand, bedrijven die zich vestigen buiten de stad omwille van niet meer bereikbaar, jonge gezinnen die het groen opzoeken in het buitengebied, etc. De stad blijkt om diverse redenen niet de betere oplossing. Om hier aan tegemoet te komen en de steden aantrekkelijk te houden, werd er gesteld dat we een aantal stromen fundamenteel anders moeten organiseren.

Voor de stad als gezond metabolisme werden vier opgaven gedefinieerd voor de komende jaren en decennia:

  • Anders omgaan met ruimte en mobiliteit in functie van betaalbaar wonen, leefbaarheid, aantrekkelijkheid en bereikbaarheid;
  • Nieuwe hefbomen voor inclusie en samenleven (‘sociale stijging’ in plaats van sociale mix);
  • Het reduceren van afval, energieverlies en CO²-uitstoot, door een circulaire organisatie van stromen;
  • Vernieuwing van het economisch weefsel: vernieuwen industrieel weefsel (Industrie 4.0), kansen voor laaggeschoolden, ecologische voetafdruk verkleinen, faciliteren deeleconomie.


De deelnemers gaven aan dat er nood is aan een positief verhaal dat vertrekt vanuit kansen.

Bovengenoemde transities zijn niet nieuw. Maar de vaststelling dat ze in experimenten blijven hangen, bewijst dat ze hardnekkig zijn en gepaard gaan met een moeilijke cultuuromslag. Ze formuleren is gemakkelijker, dan ze te realiseren. Het toekomstig stedenbeleid zou sterk op de hoe-vraag moeten zijn gericht: hoe maken we de omslag van een autogerichte mobiliteit, naar een gebruik van openbare vervoersmodi, etc? Daarin schuilt de uitdaging.

De deelnemers gaven aan dat de opgaven teveel als problemen worden geformuleerd. Door het beoogde perspectief en streefdoel te noemen, krijgen ze een meer wervend en mobiliserend karakter (gezondheid, bereikbaarheid, etc.). Zeker terecht, al wil het IDEA-team vermijden om een normerend  streefbeeld naar voor te schuiven.

Welke stappen zijn er dan nodig om structureel voortgang te maken? De deelnemers gaven aan dat de vier transities het lokale niveau overstijgen en op een integrale manier moeten aangepakt worden. Dat er nood is aan zowel een interbestuurlijke aanpak (over de verschillende bestuurslagen heen) als een transversale aanpak (over de beleidsdomeinen heen). Het Vlaamse Stedenbeleid zou haar pijlen hierop moeten richten.

De stad als coalitie en lerend systeem

Het derde atelier zoemde in op de (bestuurlijke) capaciteit die nodig is om een vernieuwd stedenbeleid vorm te geven. Er zijn zowel aanpassingen nodig in de (interne) stedelijke organisatie, als op het vlak van samen besturen met burgers en organisaties.

Binnen de stedelijke organisatie zelf gaat het over meer transversaal samenwerken, zowel tussen schepenen als ambtenaren, via bv. programmamanagement. Het gaat over meer wendbaarheid en openheid voor experiment en over steden die onderling leren van elkaar (en minder wedijveren in wedstrijdconcepten). De volle oriëntatie moet op de samenleving zijn gericht, op het capteren van signalen en het bundelen van synergie. Veel steden hebben op dit punt al een belangrijke slag gemaakt, maar het hangt nog teveel af van personen.


Besturen worden in nieuwe rollen gesolliciteerd als regisseur, matchmaker en onderhandelaar.

Daarnaast groeide de voorbije jaren het besef dat samenwerking met burgers en organisaties meer armlengte verschaft. Tijdens de stadkamers kwamen diverse succesvolle experimenten met participatie en cocreatie aan bod (De Republiek, Brugge; Ecopower, Eeklo). Samen besturen veronderstelt politici die bereid zijn om hun ‘primaat’ te delen en allianties op te zetten met actoren uit de ‘quadruple helix’ (kennisinstellingen, bedrijven, overheid, samenleving en burgers). Ook de wolfijzers en schietgeweren kwamen aan bod, zoals het omgaan met tegenstrijdige belangen en de (onvoldoende) betrokkenheid van alle bevolkingsgroepen in participatie- en cocreatietrajecten.

Het werd ook duidelijk dat bovengenoemde tendenzen het bestuur voor een belangrijke uitdaging stellen op vlak van capaciteit. Besturen worden in nieuwe rollen gesolliciteerd als regisseur, matchmaker en onderhandelaar. Dit soort vaardigheden zijn er op vandaag binnen de steden te weinig en ze zijn ook niet zo gemakkelijk aan te trekken in het huidig arbeidsmarktklimaat.

Het Vlaams stedenbeleid

Al was het geen van de drie ateliers, het Vlaamse stedenbeleid manifesteerde zichzelf als een vierde, verbindend thema, doorheen de ateliers. Daarbij verschillende interessante insteken om mee te nemen:

  • Als we spreken over het Vlaamse stedenbeleid gaat dat voor de steden in de eerste plaats over de Vlaamse overheid als geheel en pas in tweede orde over het stedenbeleid sensu strictu vanuit de cel stedenbeleid binnen ABB;
  • Voor de steden moet het stedenbeleid een structureel beleid zijn dat door alle agentschappen en departementen consequent wordt ondersteund. Als men vanuit het ruimtelijk beleid streeft naar verdichting en kernversterking bijvoorbeeld, moet dit ook ondersteund worden vanuit de andere entiteiten. In het andere geval bereiken we niets.
  • De grote ambitie met de steden, cfr. het Witboek van 2003, is weggedeemsterd en verdient een reveil. Het stedenbeleid is voor sommigen teveel verworden tot een systeem van competitieve calls, vanuit ABB, VLAIO en andere agentschappen.
  • Het team stedenbeleid (ABB) moet een verbindende en transversale rol opnemen, alsook een rol als platform om kennisdeling te faciliteren.
  • De stadsvernieuwingsprojecten zijn voor de steden een succes. De sterke omkadering maakt voor hen het verschil. Om die reden hebben deze projecten meer teweeg gebracht dan de strategische projecten in het kader van het RSV, zowel naar fysieke realisaties, als naar capaciteitsopbouw. Ook voor andere uitdagingen op vlak van samenleven, klimaat, etc… zou een dergelijke aanpak kunnen overwogen worden.

Volgende stappen

De komende weken werkt het IDEA-projectteam aan een synthese van de inzichten die werden verzameld tijdens de verschillende sessies in de periode november-december 2018. In februari 2019 volgen stadslabo’s waar inhoudelijk wordt doorgewerkt op de belangrijkste transities waar de Vlaamse steden de komende jaren/decennia voor staan.